In 2003 begon ik als drumdocent. Ik was tweeëntwintig, had net mijn bachelor aan het conservatorium van Amsterdam afgerond en was aan de master begonnen. Lesgeven doe ik er wel even bij, dacht ik. Appeltje-eitje.
Wat had ik het mis.
Het werd pure chaos. Leerlingen die niet betaalden, lessen die structureel uitliepen, en aan het eind van de maand nauwelijks genoeg om van te leven. Terwijl ik het druk had. Dat is de gekke combinatie waar bijna elke beginnende muziekdocent in terechtkomt: je agenda zit vol en je bankrekening niet.
Tweeëntwintig jaar later kan ik erom lachen. Maar als je nu net begint — of erover nadenkt — dan kunnen deze vijf je een paar jaar schelen.
1. Ik durfde niet over geld te praten
In mijn eerste jaar stuurde ik af en toe een mailtje. “Hé, zou je misschien nog even naar die factuur kunnen kijken?” Met dat “misschien” erin. En dan hoopte ik dat het goed kwam.
Dat kwam het niet.
Ouders betaalden twee, drie maanden te laat. Op een gegeven moment had ik ruim vierhonderd euro openstaan terwijl ik mijn eigen huur nauwelijks rond kreeg. En ik belde er niet achteraan, want stel dat ze me vervelend zouden vinden.
Dat is de fout achter de fout: ik dacht dat duidelijk zijn over geld me minder aardig zou maken.
Wat ik nu doe: afspraken staan vast vóór de eerste les. Bedrag, betaaltermijn van veertien dagen, en wat er gebeurt als er niet betaald wordt. Eén keer opschrijven, en daarna hoef je het nooit meer per persoon te bespreken.
Klinkt hard? Dat is het niet. Het is hetzelfde als bij je tandarts. En ouders nemen je er serieuzer om, niet minder.
2. Ik gaf te veel gratis proeflessen weg
Elke aanvraag kreeg een gratis proefles. Leek me logisch: laat ze eerst maar eens voelen hoe het is.
Wat ik niet doorhad, is wie er op “gratis” afkomt. Een deel van die mensen wilde geen drumles — die wilden een keer drummen. Kind een halfuur laten rammen, leuk, bedankt, en nooit meer iets van gehoord. Ik gaf soms drie proeflessen in een week waar één leerling uit kwam.
Reken maar uit wat dat aan avonden kost.
Wat ik nu doe: een intakegesprek van tien minuten aan de telefoon in plaats van een gratis les. Wat wil je leren, hoeveel tijd heb je om te oefenen, waarom drums. Dat gesprek zeeft beter dan welke proefles ook, en het kost je tien minuten in plaats van een avond.
Wil je toch een proefles aanbieden: doe ‘m betaald, tegen het gewone tarief. Wie serieus is, betaalt dat zonder morren.
3. Ik had geen enkel systeem voor zieke leerlingen
De eerste jaren regelde ik dit per geval. Iemand zei af, ik zei “we halen ‘m wel een keer in”, en dan schreef ik dat ergens op. Meestal nergens.
Aan het eind van het seizoen had ik een schaduwadministratie in mijn hoofd van wie er nog wat tegoed had. Van sommige leerlingen wist ik het zeker. Van andere gokte ik. En als een ouder zei “volgens mij hebben we er nog twee staan”, dan geloofde ik dat maar, want ik kon het niet weerleggen.
Dat is geen coulance. Dat is gewoon niet weten wat je doet.
Wat ik nu doe: één regel, voor iedereen hetzelfde. Tot vierentwintig uur van tevoren afzeggen kan kosteloos, daarna vervalt de les. En het tegoed staat ergens waar de ouder het óók kan zien, zodat er niets te discussiëren valt.
Daar schreef ik trouwens een hele post over, inclusief een tekst die je kunt kopiëren.
4. Ik liet mijn lessen uitlopen
Een halfuur drumles duurde bij mij zelden een halfuur. Er was altijd nog wel iets: net dat ene fill afmaken, even iets voorspelen, nog een verhaal van de leerling aanhoren.
Voelde goed. Ik gaf iets extra’s.
Alleen zat de volgende leerling ondertussen in de gang. En die daarna ook. Tegen het eind van de avond liep ik veertig minuten achter, was ik gesloopt, en had de laatste leerling van de dag de slechtste les gekregen — terwijl die precies evenveel betaalde als de eerste.
Uitlopen is geen gulheid. Het is een cadeautje aan de leerling van vier uur, betaald door de leerling van acht uur.
Wat ik nu doe: vijf minuten tussen elke les, in het rooster, niet in mijn hoofd. Dat is geen verloren tijd, dat is de tijd waarin je opruimt, iets noteert en even ademhaalt. En de les eindigt wanneer hij eindigt.
5. Ik nam iedereen aan die belde
Toen mijn agenda begon vol te lopen, bleef ik ja zeggen. Bang dat het weer zou opdrogen. Dus propte ik er nog een leerling in op een tijdstip dat eigenlijk niet uitkwam, aan de andere kant van de stad.
Zo bouw je een rooster waar je zelf niet meer uitkomt: gaten van veertig minuten waar je niets mee kunt, drie kwartier reistijd voor één les van een halfuur, en een woensdag die van half twee tot negen uur duurt.
En het gekke is: op papier had ik het hartstikke druk. In de praktijk verdiende ik per gewerkt uur bar weinig.
Wat ik nu doe: een wachtlijst. Past iemand niet in een blok dat ik toch al rijd, dan komt hij op de lijst en hoort hij het als er een plek vrijkomt. Dat voelde het eerste jaar eng. Daarna nooit meer.
Wat het me eigenlijk heeft geleerd
Al deze fouten hebben één ding gemeen, en het is niet dat ik slecht was in lesgeven.
Ik was er in mijn hoofd van uitgegaan dat lesgeven het werk was en de rest erbij kwam. Terwijl het andersom is: als je planning, je afspraken en je geldzaken niet kloppen, kun je je niet concentreren op waar je goed in bent. Dan sta je met je hoofd bij die openstaande factuur terwijl er een kind voor je zit dat net zijn eerste fill speelt.
Maak je deze fouten nu? Prima. Ik maakte ze allemaal, en meerdere jaren achter elkaar.
Maar het hoeft niet zo lang te duren als bij mij.
Dit is trouwens precies waarom ik Muziekles.app ben gaan bouwen: één plek waar je rooster, je leerlingen en je afspraken staan, zodat je ze niet meer in je hoofd hoeft te bewaren. Geen boekhoudprogramma, wel het antwoord op “wie heeft er nog lessen tegoed” en “hoe zag mijn seizoen er ook alweer uit”.